Alles grijs

Grijs

door Max van Norden

De herinneringen aan mijn jeugd zijn grijs. Kennelijk zijn ze versmolten met de foto’s in mijn familie-album die hoofdzakelijk zwart-wit waren. Mijn hersenen hebben kennelijk die beelden verbonden met de herinneringen aan belangrijke gebeurtenissen uit die tijd.

Toch is er meer aan de hand. Mijn geboortestad Haarlem was nogal kleurloos in die tijd. Mannen droegen regenjassen of winterjassen en die waren bijna altijd grijs, of een aan grijs grenzend flets lichtblauw. Vaak hadden ze een even grijze gleufhoed op het hoofd. Alleen de groenteboer, de slager, de scharensliep en nog wat zelfstandig werkende mensen droegen vaak een pet en die was – bijna wulps – heel soms bruin in plaats van grijs.

We waren witte mensen in een grijze stad. We veranderden alleen van kleur op ons eerste dagje naar het strand van Bloemendaal. Na een paar dagen vuurrood te zijn geweest, vervelden we en waren we weer even wit als altijd. Misschien nét even een tintje donkerder dat snel weer verbleekte.

Mijn moeder nam mij op mijn vierde aan de hand mee naar Amsterdam en daar viel ik van de ene verbazing in de andere. Zo zag ik een zwarte man op De Dam met een grote tulband op zijn hoofd en ik wist het meteen: als ik later groot ben, dan wil ik daar wonen.

In Amsterdam kon je de mensen tenminste van elkaar onderscheiden. Waarschijnlijk worstelde ik zo met herkenning, omdat ik ‘s middags vaak mijn vader ging opwachten bij de bushalte op de hoek en dan stroomde zo’n halve bus leeg met allemaal identiek geklede mannen en dan had ik de grootste moeite mijn vader te herkennen.

Die mannen werkten vrijwel allemaal bij KLM en daar droegen ze een donkerblauw uniform met een pet voorzien van gouden biezen, maar de oorlog lag misschien nog niet ver genoeg achter hen om ook in uniform naar huis te willen gaan. Vaak kleedden ze zich op het werk om en droegen dan weer de gebruikelijke grijze overjas. Probeer zo maar je vader te spotten in een lading identiek geklede mannen.

Nu zijn er mensen die stemmen op partijen die dat oude, witte Nederland terug zouden willen hebben. Dat is voor mij onbegrijpelijk. Het was doodsaai, er was veel armoede en op zondag kon je een kanon afschieten op de Grote Markt zonder iemand te raken. De meeste gesprekken gingen over geld, maar vrijwel nooit over een bedrag hoger dan een rijksdaalder en op school was een touwtje in het midden van de speelplaats gespannen om protestante kinderen van katholieke kinderen te scheiden. Schopte je je voetbal per ongeluk over het touwtje, dan nam juf hem in beslag en kon je een reprimande verwachten bij het ophalen.

Het is niet voor niets dat Apartheid het enige woord van Nederlandse herkomst is dat overal op de wereld wordt begrepen.

Dat touwtje dat er vroeger was om protestante en katholieke kinderen te scheiden van elkaar, dat is er nog steeds. Het is zichtbaar in het stemgedrag van Nederlanders. Het liefst zouden velen van hen zwarte en Moslimkinderen scheiden van de rest. In dat opzicht is er weinig veranderd.

Totaal veranderd is wel het straatbeeld en het uitgaansleven. Wat een kleurrijke mensenmassa zijn we geworden en wat is veel mogelijk, dat eens totaal verboden was. Maar de behoudende geluiden zwellen weer aan. Oorlogsvluchtelingen heten opeens, door velen geheel geaccepteerd, gelukszoekers en vaker dan ooit klinkt weer de roep om ‘eens even normaal te doen’.

De performers die we in ons tijdschrift centraal stellen, dragen in belangrijke mate bij aan die diversiteit en het behoud van de individuele vrijheden die ons zomaar weer afgenomen kunnen worden. Reken maar dat er voldoende krachten in de maatschappij zijn die niets liever willen dan achterwaarts te leven en terug willen gaan naar dat stomvervelende Nederland van tot snot gekookte spruitjes en aardappelen met veel te vette jus. Een land dat ze waarschijnlijk alleen kennen van filmpjes van Bert Haanstra of misschien de beelden van de Watersnoodramp.

Het oude Nederland zette geloofsgroepen tegen elkaar op en verbood alles wat niet buiten het normale viel en wat normaal was, daar had je als burger niets over te zeggen, dat werd voor je, in plaats van dóór je, bepaald.